Brief van den Utrechtsen burgemeester Aernt Dircxsz van Leijden over zijne zending naar den Prins van Oranje (26 februari 1579)

Titel "Brief van den Utrechtsen burgemeester Aernt Dircxsz van Leijden over zijne zending naar den Prins van Oranje (26 februari 1579)", in: Bijdragen en mededeelingen van het Historisch Genootschap (gevestigd te Utrecht), 41, Amsterdam: Johannes Müller, 1920, pp. 232-246. Noten.
Auteur Blok, P.J.
Jaar van uitgave 1920
Citaat "Eenigen tijd geleden viel mijn oog op een mededeeling van mijn ambtgenoot en vriend P. L. Muller, gedaan in een vergadering van de Historische Commissie der Maat­schappij der Nederl. Letterkunde in den winter 1885/6 (blz. 82 der Handelingen, 1886) over den inhoud van den belangrijken brief, die hier volgt. Het was zijn plan den brief uit te geven in een vervolg op Bondam's Onuitgegeven Stukken, dat zou worden opgenomen in de Werken van het Historisch Genootschap te Utrecht. Van deze uitgave is evenwel niet gekomen : het plan is gebleven bij een uitgave der stukken betreffende den tegenstand der Utrechtsche Katholieken in de Bijdr. en Meded. van het Hist. Gen. 1886, blz. 393 vlg. Het door mr. J. A. Grothe gemaakte afschrift van genoemden brief bleef, met een groot aantal andere afschriften, waarvan Muller een deel uitgaf in zijn Documents betreffende Anjou, onder zijne berusting. Hij maakte er melding van in zijn uitvoerig artikel over bovengenoemd onderwerp in de Bijdr. voor vaderl. gesch. 1886, 3de Reeks, dl. III (herdrukt in zijn Verspr. Geschriften, blz. 250 vlg.), en wees daar nogmaals met nadruk op de belangrijkheid van den brief." (232)"Men mag uit het medegedeelde thans wel tot het besluit komen, dat de Prins, ofschoon hij zelf graaf Johan met de zaak der Unie belast had, het beleid van zijn broeder in dezen volstrekt niet heeft goedgekeurd, wat reeds Groen van Prinsterer meende te mogen opmaken uit het zoo goed als geheel ontbreken der correspondentie tusschen de broeders omstreeks het begin van 1579. De Prins heeft tegenover diens calvinistischen ijver als altijd vastgehouden aan zijn ideaal, den „Religions-vrede" van 1578; die vrede zou de schepping mogelijk gemaakt hebben van een staat, waarin Katholiek en Protestant naast elkander met ongeveer gelijke rechten zouden hebben geleefd; een Generale Unie, zij het dan niet geheel in dien geest maar met een krachtiger centraal gezag zou dien staat hebben kunnen maken tot een lichaam, waarin de deelen nauwer hadden samengehangen dan onder de Unie van Utrecht het geval kon zijn en tot onherstelbare schade van onze Republiek het geval geweest is.Op 's Prinsen religieuse en staatkundige inzichten wordt zoo door dezen brief een helder licht geworpen." (237)
Trefwoorden Unie van Utrecht Godsdienst Algemene en Politieke Geschiedenis Kerkgeschiedenis