De meeningen van Willem van Oranje omtrent den godsdienst

Titel "De meeningen van Willem van Oranje omtrent den godsdienst", in: Tijdschrift voor Geschiedenis onder redactie van A. M. Kollewijn Nz. Jrg. 1, Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1886, pp. 245-268. Noten.  
Auteur Blok, P.J.
Jaar van uitgave 1886
Citaat "Inderdaad, wie onzer zou het wagen tegen den zin van zijn medemensch binnen te willen dringen in dien zoo zorgvuldig verborgen kring van denk­beelden, tenzij een heilig recht van bloedverwantschap of genegenheid de afsluiting doet verbreken?Zeker, het gemoedsleven is heilig; het gemoed is een heiligdom, dat gesloten dient te zijn voor hem, die niet met het recht eener warme belangstelling de geheimen van het innerlijk wezen wil trachten te ontraadselen.Maar er zijn menschen, ten opzichte van welke deze redeneering niet opgaat. Er zijn menschen, die zulk een grooten invloed hebben geoefend op hunne omgeving, op de maatschappij in het algemeen, dat zij als het ware gemeen goed geworden zijn; dat men hen noodzakelijk moet kennen, de beweegredenen tot hunne handelingen moet trachten te ontdekken, om hunne werkzaamheid beter te begrijpen of hun werk beter te beoordeelen, en wel omdat het oordeel over hunne persoonlijkheid zoo nauw samen­hangt met dat over de waarde van hun arbeid." (245)"Wat hij in den herfst van 1566 onder al die beslommeringen heeft ondervonden, heeft eindelijk in zijn gemoed den doorslag gegeven; hij heeft zich bij de Lutherschen wel nog niet openlijk maar toch in het geheim aangesloten.Reeds in zijne brieven van September en October is veel, wat doet vermoeden, dat de Prins weldra de Luthersche leer zal omhel­zen. In Nov. 1566 schrijft hij eindelijk aan den landgraaf van Hessen, zijn verwant, een brief, waarin hij dezen om raad vraagt in de gewetenszaak : of hij den Koning zijne Luthersche gevoelens schriftelijk zal kenbaar maken en tegelijk op gods­dienstvrijheid, voor de Lutherschen zal aandringen, dan wel, of hij uit een politiek oogpunt nog langer zijne ware gezindheid zal verbergen.Merkwaardige bekentenis! Wat er zijn moge van 's Prinsen lang­durige aarzeling en tweestrijd, in Nov. 1566 is hij ongetwijfeld Lutheraan.Wie zal uitmaken, wat in zijn geest meer invloed heeft gehad op deze bekeering, de politiek of de innerlijke overtuiging? Ik voor mij, wijzende op de kentering, sedert 1563 in 's Prinsen houding tegenover de kwestiën van den godsdienst merkbaar, houd mij ver­zekerd, dat inderdaad de politiek invloed gehad heeft op zijne toenmalige houding, maar meer een belemmerenden dan een aandrijvenden : de Prins heeft in den zomer en het najaar van 1566 geaar­zeld de in zijn binnenste gerijpte overtuiging te uiten uit vrees voor 's konings ongenade en de daaruit voortspruitende gevolgen voor zijn eigen politiek stelsel in de Nederlanden; dit toch zou met zijne verwijdering uit zijne hooge waardigheden — het te duchten gevolg van zijne openlijke verklaring - onvermijdelijk het onderspit hebben gedolven tegenover de plannen der regeering." (260)
Trefwoorden Godsdienst Kerkgeschiedenis