Het origineel van de historie Balthazars Gerardt alias Serach

Titel "Het origineel van de historie Balthazars Gerardt alias Serach", in: Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde. Verzameld en uitgegeven door Dr. P.J. Blok en Dr. N. Japikse, 's-Gravenhage: Martinus Nijhof, 5e reeks, deel X, 1923, pp. 284-288, Noten.
Auteur Blok, P.J.
Jaar van uitgave 1923
Citaat "Sedert Fruin in 1884 zijn meesterlijk stuk: De oude verhalen van den moord van Prins Willem I, schreef (Verspr. Geschr. III, blz. 65 vlg.) en daarop (1893) een Naschrift (Verspr. Geschr. III, blz. 112 vlg.) had gegeven, scheen de kwestie over het origineel der katholieke Historie vrij wel uitgemaakt te zijn. Een gelukkige vondst van onzen uitgever in den catalogus van een boekhandelaar te Rome gaf aanleiding om de zaak opnieuw te onderzoeken. Onze uitgever, die indertijd ook het ms., waarover Fruin schreef, op aanwijzing van een landgenoot bij den Leidschen hoogleeraar aan­bracht en sedert voortdurend naar een dergelijk pamflet zocht, vond daar namelijk een merkwaardig pamflet genoemd : Principis Au­raici Guilelmi Nassovii coedis et supplicii tormen­torumque, quibus Baltasar Gerardi, alias Serach, ejus interfector, Delphis Batavorum affectus est, sincera et vera narratio. Anno M. D. LXXXIIII (zonder auteur of drukplaats). Mgr. Dr. A. Hensen gaf het met een korte voorrede uit in Meded. Nederl. Hist. Inst. te Rome, II, 1922, blz. 102 vlg., verklarend te Rome niet in staat te zijn om de waarde ervan met zekerheid te bepalen, maar het te houden voor het „Latijnsch origineel" van de verschillende bij Fruin behandelde drukken. Hij verzocht mij het onderzoek hier te lande verder voort te zetten. Het is mij, na nauwkeurig onderzoek, gebleken, dat de kwestie eenigszins anders in elkander zit dan èn Fruin èn thans ook Hensen meenden.Fruin was van meening, dat het „Latijnsche origineel" van al die drukken, resp. vertalingen, gezocht moest worden in het hem door bemiddeling van Mart. Nijhoff ter kennis gekomen handschrift van de Vallicelliana te Rome (Brom, Archivalia, III, blz. 102). Hij toonde overtuigend aan, dat genoemd handschrift niet anders kon zijn dan een, zij het dan weinig zorgvuldig gemaakt, afschrift van het „discours latin faict par ung de la ville de Delft qui at vu la souffrance du patient", waarvan, een maand na den moord, Gran­velle's vriend en correspondent Morillon uit Doornik, waar hij bisschop was, den kardinaal spreekt bij de toezending van een exemplaar en waarvan deze laatste melding maakt bij de toezending, nog een groote maand later, aan den Spaanschen minister Idiaquez, die het stuk aan de kloosterlingen van het Escorial ter lezing gaf ." (284/5)"Over die Historie nog een enkel woord, al heeft Fruin daarover reeds uitvoerig gehandeld. Zij is, zooals gezegd, veel uitgebreider dan de verhalen van de Vallicelliana en de Fransche, Duitsche en Italiaansche vertalingen, die daarmede — niet met de Historien en het daarvan afhankelijke thans gevonden pamflet — overeen­stemmen. Zoo is de leeftijd van den moordenaar niet, zooals in de eerste categorie, op 28, maar in de Historie en ons Latijnsch pamflet beiden op 25 jaren gesteld. Zoo is de uitroep van den moordenaar in de eerste categorie kortelijk vermeld als: „Bon Dieu patientia", terwijl de tweede categorie uitvoeriger zegt: „Och goede Heere, verleent mij de gratie ende gave een volherdighe patientie", „Bon Dieu, largire michi tantum perseverantis patientiae donum", zooals in ons pamflet letterlijk te lezen is. Zoo staat aan het slot over het afgehouwen en op een staak gezette hoofd van den moorde­naar niet de op de onmiddellijke opstelling van het geschrevene na de executie slaande uitdrukking, die wij boven aanhaalden, maar het op een samenstelling na verloop van eenigen tijd wijzende: „hetwelk daar gestelt zijnde veel schoonder en minlijcker om sien is geweest dan te voren", „multo pulchrius solito spec­tantium se oculis exhibuit", waaruit blijkt, dat, toen de schrijver dit opstelde, het hoofd — dat na korten tijd gestolen is en aan Sasbout Vosmeer gebrachte — er al niet meer was.De voorstelling van Fruin dient dus als volgt te worden aangevuld. Eenigen tijd, maar wel niet veel later dan het feit heeft vermoedelijk dezelfde schrijver als die het korte Latijnsche „discours" op­stelde, waarvan de Vallicelliana een afschrift heeft, een uitvoeriger verhaal samengesteld, gegrond op het vroeger snel opgeschrevene, dat als onze Historie en daarna in Latijnsche vertaling ten behoeve van het buitenland is gedrukt, ook in Brabant en wel te Leuven op dezelfde drukkerij, hoewel met een andere soort van letter, zooals men daar voor Latijnsche geschriften placht te gebruiken." (287/8)
Opmerking(en) Vgl. A.H.L. Hensen, "Het latijnsch origineel van Les cruels et horribles tormens de Balthazar Gerard" (1922)
Trefwoorden moord verslag