Tussen twee herdenkingsjaren (1884-1933). Het beeld van Willem van Oranje in de wetenschappelijke geschiedschrijving rond 1900" in E.O.G. Haitsma Mulier & A.E.M. Janssen (red.)

Titel "Tussen twee herdenkingsjaren (1884-1933). Het beeld van Willem van Oranje in de wetenschappelijke geschiedschrijving rond 1900" in E.O.G. Haitsma Mulier & A.E.M. Janssen (red.), Willem van Oranje in de historie 1584-1984, Utrecht : HES, 1984, pp. 137-160. ill. Noten.  
Auteur Blaas, P.B.M.
Jaar van uitgave 1984
Citaat "Karakter en effect van de herdenkingsjaren 1884 en 1933 vormen een duidelijke tegenstelling. De erdoor opgeroepen emoties zijn bijna tegengesteld aan elkaar. Tegenover de polariserende werking van die van 1884 steekt het nationale samenhorigheidsgevoel van 1933 opvallend af. Willem van Oranje werd in deze halve eeuw een werkelijk na­tionale figuur, waarin iedere groepering zijn eigen Oranje op zodani­ge wijze claimde dat de andere partij zich niet onmiddellijk gedwon­gen voelde een polariserend tegenbeeld er tegenover te stellen. De gedenkdagen van de Tachtigjarige Oorlog uit de tweede helft van de 19de eeuw (1868, 1872, 1879 en 1884) groeiden eigenlijk nooit uit tot nationale gedenkdagen. Ze hadden dikwijls een averechts effect. Wat bedoeld was om te binden actualiseerde veelal latente tegenstel­lingen. In 1933 was deze tweespalt-werking duidelijk verdwenen. Niet dat alle polemiek verdwenen was, maar tegenstellingen werden op de achtergrond gehouden. Het katholieke Historische Tijdschrift en de protestantse Stemmen des Tijds kwamen ieder met een eigen herdenkingsnummer uit. Verschillen bleven bestaan met name op het punt van de godsdienst van Willem van Oranje. Maar men vond elkaar toch in die ene conceptie: dat het de Prins voor alles namelijk te doen was geweest om één groot doel: de nationale bevrijding van het Spaan­se juk. Daaraan waren in de katholieke visie eigenlijk al zijn beginselen ondergeschikt geweest, zelfs zijn tolerantie-beginsel. Dat vergoeilijk­te in de katholieke visie van 1933 ook de dubbelzinnigheid van de Prins in godsdienstzaken. Wat hem door generaties katholieke historici aan dubbelzinnigheid of machiavellistische sluwheid verweten was, raak­te op de achtergrond (zonder totaal te verdwijnen) in het beeld van Oranje als strijder voor nationale onafhankelijkheid. Pas in die Oranje kon een veelheid van partijen elkaar vinden. Kritiek op het beeld van Oranje als nationale vrijheidsstrijder behoorde in het herdenkingsjaar 1933 tot de grote uitzonderingen. Zij paste niet bij een waarlijk na­tionale herdenking. Slechts H.A. Enno van Gelder verstoorde in dat opzicht met zijn kritiek en visie de nationale feestvreugde.Tot deze niet onaanzienlijke veranderingen en uniformering in beeldvorming droeg een aantal factoren bij: de uiteindelijk geslaagde politieke pacificatie, het geleidelijk herstelde prestige van de Oranje­monarchie na 1890, wier nationale symboolfunctie juist in en door het verzuilingsproces aan kracht won en tenslotte ook de 'onpartijdige' liberale geschiedschrijving, die de politieke pacificatie met histori­sche argumenten ondersteunde en er steeds meer toe neigde Oranje een onvervangbare, niet meer weg te denken plaats toe te kennen in het geheel van de nationale geschiedenis. Zij naderde hiermee de Calvinistisch-providentiële visie zonder evenwel van de Oranjes geloofshelden te maken en zo de katholieken voor het hoofd te stoten. De oud-liberale geschiedschrijving, waarover dit hoofdstuk voorna­melijk gaat, bestreed in haar conciliante beeldvorming polariserende tegenbeelden en werkte zo bewust een pacificerende geesteshouding in de hand. Juist een figuur als Willem van Oranje leende zich uitste­kend voor deze doelstelling." (137/8)
Trefwoorden historiografie Algemene en Politieke Geschiedenis herdenking