Prins Willem van Oranje. De vader des vaderlands. Bij de herdenking van zijn 400sten geboortedag

Titel Prins Willem van Oranje. De vader des vaderlands. Bij de herdenking van zijn 400sten geboortedag, 1533 - 24 april 1933 voor jong Nederland. (Met illustraties en omslag van M.C.A. Meischke), Rotterdam: N.V. J.M. Bredée's Boekhandel en Uitgevers-Mij, 1933. 104 blz. Noten.
Auteur , Betsy
Jaar van uitgave 1933
Citaat "En de vergelding zou vrééselijk zijn. Hij zou Alva zenden, den ijzeren hertog, den knap­sten en meest gevreesden veldheer van zijn tijd, even hard, en streng, en wreed, en dweepziek als zijn koninklijken meester. Die zou een strafgericht komen houden, dat zoowel de bedrijvers als de niet­beletters van het kwaad treffen en aan alle ketterij voorgoed een einde maken zou.Straks gaat het gerucht al door het land: „Alva komt!" en iedereen weet, dat dit niet veel goeds be­teekent. Duizenden vluchten de grenzen over. Velen, die zich bij de protestanten gevoegd hadden, worden uit angst weer roomsch. De Prins weet door een geheim bericht uit Spanje, dat ook zijn doodvonnis geteekend is. Wat zal hij doen? 't Gaat hem aan het hart, het volk in den nood te verlaten. En toch — blijven zou nutteloos, ja roekeloos zijn. De toestand is niet meer te redden. Hij staat zoo goed als alleen. De Duitsche vorsten, wier tusschenkomst hij door graaf Lodewijk reeds herhaaldelijk heeft ingeroepen, houden zich afzijdig. De vrienden zijn bijna allen in hun schelp gekropen en hebben, op bevel van de landvoogdes, den Koning opnieuw trouw gezworen.De Prins kàn dit niet onvoorwaardelijk; acht het ook niet noodig. Hij heeft zijn vroegeren eed van trouw immers nooit gebroken. Nogmaals vraagt hij zijn ontslag. Margaretha weigert. Zij moet hem aan het lijntje houden tot Alva's komst. Oranje mag in geen geval aan 's Konings wraak ontsnappen.De Prins voorziet den toeleg, en zijn besluit staat nu vast. Hij moet heengaan en waarschuwt ook zijn vrienden Egmond en Hoorne dringend, zijn voor­beeld te volgen, maar dezen zien het niet zoo ernstig in en vertrouwen nog altijd op 's Konings rechtvaar­digheid.Oranje is niet zoo lichtgeloovig. Hij verlaat Ant­werpen, nadat hij er eerst nog met groot levens­gevaar een oproer heeft helpen stillen, en gaat dan naar Breda, waar hij afscheid neemt van zijn oudsten zoon, Filips Willem, die nu twaalf jaar is en te Leuven studeert. Arme Vader! Had hij kunnen vermoeden, dat zij elkander nooit zouden weerzien, hij zou hem wel meegenomen hebben in plaats van hem naar Leuven terug te laten gaan. Te Breda schrijft hij zijn afscheidsbrieven aan Egmond en Hoorne, „tot betere tijden"; ook aan Margaretha, en een aan den Koning, waarin hij nogmaals zijn ontslag aanbiedt. Hij laat zijn kostbaarheden bijeen pakken. En dan, 22 April 1567, verlaat Prins Willem van Oranje met zijn gezin en een groot ge­volg, als vluchteling het land, waar hij vóór drie en twintig jaren, als kleine, vroolijke jongen vol illusies, voor 't eerst den voet had gezet.Veertien dagen later kwam hij met heel zijn stoet op den Dillenburg aan, bij zijn moeder, en zijn broer Jan, die er nu de bezitter van was." (44/5)"Van uit de eetzaal klinkt vroolijk gepraat. 't Is nu twee uur. De maaltijd is geëindigd, — Daar gaat de deur open....De Prins, nog in gesprek met den burgemeester van Leeuwarden, den eenigen gast dien middag, ver­laat langzaam de kamer en begeeft zich al pratend naar de trap. Hij heeft den voet al op de trede ...Dan springt de moordenaar uit zijn schuilhoek te voorschijn en lost, op een paar passen afstands, een schot op 's Prinsen borst. Drie vergiftigde kogels dringen het lichaam binnen; één ervan doorboort het en ketst met kracht tegen den muur.Doodelijk getroffen zinkt de Prins achterover in de armen van zijn toegesnelden stalmeester, met de bede: „Mijn God, ontferm U over mijn ziel!" Dan, al zachter: „Mijn God, ontferm U over dit — arme — volk!" — Met zijn laatste woorden, die hij nauwelijks meer kan uitbrengen, draagt hij het volk, waaraan hij zich verbonden heeft en nu ook zijn leven offert, aan Gods bescherming op.Behoedzaam laat men den reeds stervende voor een oogenblik op de treden neder, „Geeft ge uw ziel in de handen van Jezus?" vraagt zijn zuster, zich over hem heenbuigend. „Ja," komt er nog flauwtjes.Naar de eetzaal teruggebracht wordt hij op een rustbank neergelegd.Een laatste blik, vol deernis, gaat naar de jammerende Prinses....Dan sluiten zich de vriendelijke oogen; voor immer ... .Prins Willem van Oranje, de onvermoeide strijder voor recht en vrijheid, is ingegaan in de rust, die er overblijft voor het volk van God." (98)
Opmerking(en) Betsy is ps. van Mej. B. de Heer.
Trefwoorden Algemene en Politieke Geschiedenis literair historische roman Literatuur, Toneel, Muziek, overige Kunsten