Oranje en de vestiging van de Nederlandse Staat

Titel Oranje en de vestiging van de Nederlandse Staat, Amsterdam: J.M. Meulenhof, 1946. 223 blz. Bibliografie.  
Auteur Berkelbach van der Sprenkel, J.W.
Jaar van uitgave 1946
Citaat "Naast deze algemene reden staat een meer speciale, die in het bizonder voor de door ons behandelde periode geldt. De tradi­tionele vaderlandse geschiedenis spreekt, wij weten het allen, van de „Tachtigjarige Oorlog" die in 1648 eindigde en dus in 1568 begon. Zij spreekt van een „worstelstrijd tegen Spanje" en stelt het voor, alsof van het begin af het Nederlandse volk, ge­leid door zijn nationalen held Willem van Oranje, een oorlog voerde tegen een vreemde mogendheid. Die voorstelling nu achten wij niet geheel overeenkomstig de waarheid. De strijd tegen het regime van Philips II was oorspronkelijk een op­stand van een aantal ontevredenen, revolutionnairen, tegen het overgeleverde gezag. Philips was hier „wettig" vorst en werd door de overgrote meerderheid van zijn onderdanen als zodanig beschouwd. Toen het verzet der rebellen succes had, ontstond in een gedeelte der Nederlanden, korte tijd zelfs in bijna alle Ne­derlandse gewesten, een revolutionnaire regering, die de wettige regering bestreed. Beide partijen hadden van het begin af hun Nederlandse aanhangers: het aantal Spanjaarden was hier nooit groot, zelfs niet in het leger van de regering. Op den duur slaag­de de regering er in een groot deel der opstandige gewesten terug te winnen: wat overbleef constitueerde zich tot een republiek, die in 1648 als onafhankelijke staat erkend werd. Daar nu de mens in het algemeen, de Nederlander in het bizonder en de regeringspersoon voor allen, niet revolutionnair gezind is en zich voor zijn revolutionnaire opvattingen en daden toch altijd weer schaamt, trachtte men van het begin af de zaak zo voor te stellen of de revolutie eigenlijk herstel van de wettige toestand en be­strijding van onwettige regeringsmaatregelen was. De revolu­tionnaire Nederlandse regering werd zo, in de ogen van haar onderdanen en zeker in die van het nageslacht, de wettige, die de onwettige regering van Philips verdreef en met haar een Tachtigjarige oorlog voerde als vrije staat tegen vrije staat.Deze traditionele voorstelling willen wij niet volgen: wij wil­len de opstand als opstand zien en Oranje en de Geuzen als rebellen. Daarmede verliezen zij in veler oog misschien iets van hun gloriekroon. Ook zullen zij van hun gloriekroon verliezen als wij hen niet idealiseren als helden, maar beschrijven als gewone mensen. Het „heldenvolk der zestiende eeuwse Geuzen" is een fabel: het aantal moedige Nederlanders was in de jaren van de opstand tegen Philips II percentsgewijze niet groter dan in de jaren der Duitse bezetting. Wij weten dat er in onze dagen moedige Nederlanders waren, maar dat hun aantal gering was. Zo was het toen ook. Het komt ons voor, dat dit een troost is voor het tegenwoordige geslacht, evenals het een troost is te zien hoe revolutionnairen, door hoge idealen en liefde tot hun volk be­zield, het Nederlandse staatsbestel konden vernieuwen en uit het gereedliggende, door de historie gevormde materiaal, een vrije Nederlandse staat konden opbouwen. Immers: de historie kan onze leermeesteres zijn, maar dan de ware historie." (9/10)
Trefwoorden Algemene en Politieke Geschiedenis