Onder 'Berichten en Mededeelingen' in de Nederlandsche Spectator van 18 februari

Titel Onder 'Berichten en Mededeelingen' in de Nederlandsche Spectator van 18 februari, 1893, nr 7  
Jaar van uitgave 1893
Citaat "— Wij hebben weer eens melding te maken van een brochure van X. Onze lezers weten, dat de personen, die zich achter dien letter verbergen, polemiek hebben gevoerd met prof. Blok over Prins Willem I en Lodewijk van Nassau. Het is hun bekend dat prof. Blok, na te hebben aangetoond, hoe weinig X. begrip heeft van historische kritiek, er het zwijgen toe deed en hoe eenigen tijd later de heer H. J. P. A. Kiersch in 't krijt trad, om X. te bestrijden. Verbolgen dat prof. Blok zich niet meer tot antwoorden liet verleiden, schreef X. nu „Mijn laatste woord aan Dr. P. J. Blok en H. J. P. A. Kiersch (Roermond, H. van der Marck), waarin vooral de heer Kiersch onder handen wordt genomen. Om eenig denkbeeld te geven van den geest van het boekske, wijzen wij al dadelijk op blz. 7. Daar wordt met blijkbare ingenomenheid aangehaald wat een vriend van X. Schreef: "Professor Blok met de zijnen beten in 't stof, de jongeren volgden en vielen, en thans dreunt de historische bodem onder den krijgspas van 't Letzte Aufgebot. De heer Kiersch . . . . ". 't Is ver­makelijk, al is dit als hatelijkheid aan het adres van den heer Kiersch bedoeld. Ja wel ! X. gelooft heusch dat Blok cum suis uitgeput zijn neergeveld. O sancta simplicitas ! Trouwens X., die gaarne zich in de zoogenaamde naïveteit zijner tegenstanders verlustigt, heeft meer van die aardige zinnen, waarbij men niet weet waarover zich meer te verwonderen, over de grenzelooze naïveteit of de groote onkunde van den schrijver. Een paar voorbeelden. X. schrijft : »Dat de uitroeiing der ketternij (sic) voor Philips een wellust was, ontken ik ten sterkste. Het was een droevige noodzakelijkheid, een heilige plicht, ketters te betoomen, wien het een wel­lust was de kerk van den „antichrist" te vernietigen" enz. Dat "betoomen" is kostelijk, die brave Filips! De heer Kiersch had er aan herinnerd hoe diezelfde brave Filips een sluipmoordenaar huurde om den Zwijger uit den weg te ruimen. X. schrijft: »Hoezeer wij deze daad van Philips betreuren en verfoeien, meenen wij toch, dat zij, beschouwd in het licht van den tijd, en de hachelijke om­standigheden, waarin Philips verkeerde, in aanmerking genomen, den heer Kiersch niet wettigt, ze met den naam van moord te bestempelen, en Philips II van kouden waanzin te beschuldigen." Alweer die arme Filips, die door de hachelijke omstandigheden gedwongen werd een bravo te huren en den man door belofte van hem in den adelstand (NB.!) te verheffen tot sluipmoord over te halen, daarin door Katholieke geestelijken geholpen. Aardig is het te lezen dat X. nu nog aan den heer Kiersch verwijt . . . . te meten met twee maten. X. kan trouwens ook geestig zijn. Schrijft de heer Kiersch "Tegenover de ontzettende slachtingen der Spanjaarden treden de geuzengruwelen op den achtergrond", dan teekent X. daartegen aan : "De man is aan 't door­draven", of wel schrijft de eerste : "De Prins van Oranje, de ziel en de leider van den opstand, kan geen genade bij X. vinden", dan antwoordt deze: "Genade heeft me nooit iemand voor hem gevraagd". Dat noemen wij nu eens echt geestige repliek. Komiek is ook de zelfgenoeg­zaamheid, waarmede X. van zijne vroegere brochure schrijft : "X. bewees . . . ." En dezelfde X., die bij, vorige gelegenheden toonde niet te beseffen wat in his­torischen zin een bewijs is, die b.v. om Lodewijk van Nassau te kunnen beschuldigen van zijn latere schoon­zuster te hebben onteerd, meende te mogen volstaan met zich op Dusseldorp te beroepen, die gezegd had dat, later te zullen bewijzen, vraagt nu telkens aan den heer Kiersch om bewijzen en trekt dan herhaaldelijk een gezicht als de vermoorde onschuld. De heer Kiersch schreef : "De geloofshaat van Calvinisten en Katholieken is voor ons even verfoeilijk". Wat antwoordt nu X. "Waaruit blijkt die geloofshaat der Katholieken, zoo geheel in strijd met de zedebeginselen der Roomsche Kerk? Verdedig uwe voor Katholieken zoo grievende beschuldiging". 't Is ook werkelijk kras als men denkt aan het uitmoorden der Albigenzen, aan den door den paus gebillijkten Bartholomeusnacht, aan de autos-da-fe, aan de gruwelen aan de Fransche Protestanten onder­ den vromen Lodewijk XIV bedreven, om dan nog te durven spreken van den geloofshaat der Katholieken. Wij mogen niet langer bij dit boekje stilstaan, maar kunnen de lezing zeer aanbevelen. Het is leerzaam, onderhoudend en vermakelijk. Slechts zouden wij ten slotte den heer Kiersch aanraden : Laat het hierbij. Laat aan de personen X. het genot om te zoeken of zij ook vlekken kunnen vinden in het karakter onzer nationale helden, laat hun het genoegen uit het duister met modder te werpen; voor ons Nederlanders blijven zij toch de helden, die voor ons de vrijheid hebben veroverd." (52)Vgl. de titels betreffende de polemiek over Lodewijk van Nassau.
Trefwoorden Algemene en Politieke Geschiedenis Polemiek historiografie