De ruwaard van Brabant. Episode uit het leven van Willem I

Titel "De ruwaard van Brabant. Episode uit het leven van Willem I", in Neêrlands bibliotheek. Oorspronkelyke romans, schetsen en novellen van hedendaagsche auteurs, opnieuw uitgegeven door J.P. de Keyser, Eerste deel, Arnhem: D.A. Thieme, 1866, pp. 66-100.
Auteur Beeloo, Adriaan
Jaar van uitgave 1866
Citaat "Waarom zou ik ontveinzen, dat hunne noodiging (in 1577 van de Staten Generaal om naar Brussel te komen) met mijne in­nigste wenschen overeenstemt? Mijn hart trekt naar Brussel, om het land, waar ik ben opgevoed, weder te zien, en den omgang te genieten van vele dierbare vrienden, die mij tot trouwe broeders waren in gemeenschappelijk gevaar; doch, alvorens aan dien wensch mijns harten gehoor te geven, zoo moet ik u, mijne Heeren, verzoeken mij toe te staan, ons mij daarop vooraf te be­raden met de heeren Staten van Holland en Zeeland, aan wie ik mij onafscheidelijk verbonden gevoel, met wie ik jaren lang al de wisselingen des bangsten krijgs, allen nood en dood heb getrotseerd; en die het lot hunner gewesten vol vertrouwen in mijne handen hebben gelegd; zonder wier raad en goedvinden ik niets van eenig belang mij wil onderstaan; maar met wier goedkeuring ik, zonder de minste zwarigheid en met te voller vertrou­wen, mij stel ter dienste van het gemeene vaderland."— "Een billijk verlangen" hernam Leoninus, "'t welk de Sta­ten-Generaal u niet kunnen weigeren; alleen zoude ik daarbij de bede voegen, dat uwe doorluchtigheid zoo veel mogelijk spoed maakte; want uwe tegenwoordigheid te Brussel wordt dringend begeerd, en lijdt geen of weinig uitstel," voegde hij er veelbeteekenend bij."Uwe doorluchtigheid vergunne mij", zoo sprak de abt van St. Geertruid, "nadat de professor de belangen van den Staat u heeft voorgedragen, daar een woord bij te voegen in het belang van de godsdienst. Kwaadwilligen en vijanden van de Staten-Generaal en van deze landen zoeken hen bij den koning van Spanje en andere mogendheden verdacht te maken, als of hunne handelingen, inzonderheid hunne verstandhouding, met u, mijnheer de Prins, strekken zouden, om zoo wel van godsdienst als van heer te veranderen; en het is daarom dat ik, in hun naam, uwe doorluchtigheid dringend aanbeveel, om door daden te toonen dat het u en de Staten van Holland en Zeeland, om niets anders te doen is, dan de pacificatie van Gent te onderhouden, en het behoud van de roomsche godsdienst te willen verzekeren in die plaatsen, welke ingevolge dat verdrag, zich onder uw bewind gesteld hebben, gelijk mede in de vorige steden van Holland en Zeeland; en niet te dulden, dat er eenige verandering van gods­dienst in de overige Nederlandsche gewesten geschiede.""Gij kunt u verzekerd houden, mijnheer de abt," antwoordde de Prins, "dat het mijne ernstige bedoeling is, zoowel als die van de heeren Staten van Holland en Zeeland, om de pacificatie van Gent te handhaven, en niet te gedoogen dat er iets tegen de algemeene rust en vrede, inzonderheid de roomsche godsdienst en hare oefening ondernomen worde. Maar aangezien de oefe­ning der godsdienst in Holland en Zeeland alleen den Staten dier gewesten aangaat, welke de Gentsche pacificatie hebben ge­sloten, zoo staat het niet aan mij daarin eenige verandering te maken, ten minste tot aan de toegezegde vergadering der gene­rale Staten van alle de Nederlanden, zoo ik niet elke opschudding, welke daaruit zou kunnen ontstaan, voor mijne rekening wil nemen. Ik verlang geenerlei gezag, boven de Staten-Gene­raal te Brussel vergaderd; ik herhaal het plegtig, dat ik mij geheel stel ter hunner beschikking, en beloof, niet alleen mij te zullen onderwerpen aan hunne uitspraak en vrije bepaling om­trent het stuk der godsdienst, ingevalle de pacificatie, maar ook in geenerlei opzigt hen daarin te zullen hinderen, of te gedoogen, dat zij daarin verhinderd worden; ja ernstig te zullen helpen straffen allen, die door oproerige daden de gewone rust zouden willen verstoren."Met deze verklaring (hoewel dubbelzinnig maar welke niet anders zijn kon om 's Prinsen verhouding tot Holland en Zeeland, waar de uitsluitende oefening der R. C. godsdienst niet meer mogelijk, en de Hervormde steeds bij openlijk besluit der Staten, gevestigd was; en tot de Algemeene Staten, aan wie hij de handhaving der R. C. godsdienst niet weigeren kon, uit krachte van de pacificatie van Gent), met deze verklaring schenen de afgevaardigden der Staten-Generaal nogtans genoegen te nemen." (80/1)
Trefwoorden Algemene en Politieke Geschiedenis Kerkgeschiedenis verhalend literair