Hendrik van Brederode en Willem van Oranje in 1566 en 1567. (Eene boekbeoordeeling*)

Titel "Hendrik van Brederode en Willem van Oranje in 1566 en 1567. (Eene boekbeoordeeling*)", in Idem, Studiën en Schetsen over Vaderlandsche Geschiedenis en Letteren, uit vroegere opstellen bijeenverzameld, herzien en vermeerderd door R.C. Bakhuizen van den Brink. 1e deel, Amsterdam: Frederik Muller, 1863, pp. 87-236. Noten.  
Auteur Bakhuizen van den Brink, R.C.
Jaar van uitgave 1863
Citaat "Met „een triomferend welgevallen" roept GROEN (Antw., bl. 26) uit: „Hetgeen van elders bewijsbaar was, wordt door de brieven bevestigd. Wat baat tegenspraak, nu wij zelve oor- en ooggetuigen zijn! Wij kenden BREDERODE uit de beschrijving van anderen; nu hebben wij BREDERODE ontmoet. En hoedanig was de indruk dezer ontmoeting? — Die zoodanige taal, al is het in den meest gemeensamen briefstijl, bezigt, geeft mij een onbedriegelijken (?) maatstaf in de hand; en, gelijk er personen zijn, die men slechts eenmaal behoeft gehoord te hebben, om hen zonder voorbarigheid te verachten, evenzoo is het genoeg één dezer brieven ingezien te hebben, om te weten, welke plaats BREDERODE, in de schatting van tijdgenoot en nakomeling, verdient.” Zie, dat gaat te verre! MONTIGNY moge BREDERODE's wange­drag gelaakt hebben, — GROEN moge door de eerste kennisma­king met BREDERODE teruggestooten zijn, — WILLEM VAN ORANJE, LODEWIJK VAN NASSAU, de Graaf van HOOGSTRATEN hebben BREDERODE ontmoet; niet figuurlijk, zoo als GROEN VAN PRINSTERER en VAN HALL, maar van aangezigt tot aangezigt; niet ééns, maar meermalen; niet slechts bij vrolijke drinkgelagen, maar te midden van de bewegingen des levens, in den hef­tigsten gloed der hartstogten —: zij hebben met hem gere­deneerd en gearbeid, gestreden, had ik haast gezegd, en geleden, en zij zijn zijne warme — het bijvoegelijk naam­woord heb ik niet tot sieraad, maar met nadruk ter neder geschreven, — zijne warme vrienden gebleven tot aan zijnen dood. De Heer GROEN maakt de gevolgtrekking: „een man, zoo zedeloos als BREDERODE, kon niet in het vertrouwen (intimité) des Prinsen zijn," en beoordeelt uit dit standpunt beider handelingen (Archives, T. II, p. 13). Eene andere gevolgtrekking staat daar tegenover : indien een man, zoo zedeloos als BREDERODE, nogtans in de gewigtigste zaak het vertrouwen des Prinsen genoot, dan moet hij door andere hoedanigheden van hoofd en hart zijne in het oog vallende gebreken hebben vergoed, of onze beschouwing van den Prins zelven was tot dusverre verkeerd of onvolkomen. Zie­daar het standpunt, waaruit, onzes inziens, de verdediging van BREDERODE kan en moet uitgaan." (101/2)
Opmerking(en) * Hendrik graaf van Brederode, Medegrondlegger der Nederlandsche vrijheid, verdedigd door Mr. M.C. van Hall, Staatsraad, enz. Amsterdam: Johannes Muller, 1844.(Online tekst gebaseerd op de publicatie in De Gids van 1845.)
Trefwoorden relatie met Brederode Algemene en Politieke Geschiedenis
Web links http://www.dbnl.org/tekst/bakh003stud01_01/bakh003stud01_01_0003.php