Merkwaardige brief van prins Willem van Oranje aan den graaf van Hohenloh (7 = 3 juli 1584)

Titel "Merkwaardige brief van prins Willem van Oranje aan den graaf van Hohenloh (7 = 3 juli 1584)", in: Kronijk van het Historisch Genootschap gevestigd te Utrecht, Utrecht: Kemink en Zoon, V, 1849, pp. 419-422.
Auteur Asch van Wijk, A.M.C.
Jaar van uitgave 1849
Citaat Toen in het jaar 1584 de keurvorst Truches, aartsbisschop van Keulen, door Ernestus van Beijeren bisschop van Keu­len, met behulp van den prins van Parma uit zijne staten verdreven was; de zuidelijke gewesten aan de heerschappij van Spanje onderworpen waren, en de vereenigde Nederlanden geen leger hadden om de zegevierende bende des landvoogds in het veld te bestrijden, was de belegering van de sterke schans, door de Spaanschen in de Veluwe aan den IJssel tegenover de stad Zutphen opgeworpen, het eenig wapenfeit van belang dat in de maand April ondernomen werd. De graaf van Hohenlo bepaalde zich, na eene vruch­telooze poging om deze sterkte te bemagtigen, tot eene sluiting door middel eener opgeworpen verschansing, die zich in den vorm eener halve maan tot aan beide oevers van den Ijssel uitstrekte. Hierdoor werd voor den vijand alle toevoer uit de Veluwe afgesneden, terwijl aan de over­zijde der rivier de toegangen der stad Zutphen zelve door het leggen van bezetting in Lochum en andere plaatsen ver­sperd werden, en de graaf van Niewenaar hierdoor de stad aan die zijde tot de overgave zocht te noodzaken. De bemagtiging, zoowel van deze schans als van Zutphen, werd van groot gewigt beschouwd tot voorkoming van eenen inval in de Veluwe. Het schijnt uit een door prins Willem I aan den graaf van Hohenlo den 3. Julij 1584 geschreven brief, dat tot op dien tijd alle pogingen om dit doel te bereiken vruchte­loos waren gebleven, en dat Hohenlo kort voor het schrijven van den brief dit op nieuw had beproefd, doch uit gebrek aan genoegzaam getal pionniers en volk geen kans zag hierin te slagen. De prins echter was van oordeel dat, indien Zut­phen zich niet binnen acht dagen overgaf, er iets beslissends moest worden verrigt om den vijandelijken inval in de Veluwe te beletten. Hij was dus van gevoelen dat men, na in de schansen genoegzaam volk te hebben achtergelaten, al de verder beschikbare magt moest verzamelen, en op het eenig aan den vijand overgelaten punt, waardoor hij de stad van toevoer voorzag, eene sterkte moest opwerpen, ten einde aldus Zutphen tot de overgave te noodzaken. Was tot dit feit geen genoegzaam volk aanwezig, zoo zoude, volgens 's prinsen meening, Deventer even als Utrecht, Arnhem, Amersfoort, Kampen en Zwoll wel een 400 man daartoe kunnen afstaan. Inmiddels verzoekt de prins, dat hij met den graaf van Nieuwenaar het terrein zoude gaan opnemen.Er schijnt tijdens dit schrijven van den prins zich een gerucht te hebben verspreid, dat het volk van Ernestus van Beijeren aan het muiten geslagen was. De prins deelt hem dit, als gunstig voor de algemeene zaak mede, en raadt hem in alle geval zijne onderneming te bespoedigen, zonder echter iets gevaarlijks te ondernemen, daar een verlies ligt den afval der omliggende steden na zich zou kunnen slepen, en het dus voorzigtiger was te wachten tot dat men met een goed leger, hetwelk hij hoopte spoedig te zullen bekomen, den vijand het hoofd kon bieden. Hij verzoekt hem voorts, om, indien zijne tegenwoordigheid kan gemist worden, zich bij hem te vervoegen, om nader over het voorgedragen plan raad te plegen.Het een en ander leert men uit den navolgenden oorspron­kelijken brief, berustende onder de papieren van het voormalig archief van het graafschap Buren. (419/21)
Opmerking(en) Zie: http://www.inghist.nl/Onderzoek/Projecten/WVO/brief/10195en: http://www.inghist.nl/pdf/wvo/pictures/10000-10999/10195.pdf
Trefwoorden Militaire Geschiedenis
Web links http://books.google.nl/books?id=lqDNAAAAMAAJ&dq=1849+%22Kronijk+van+het+Historisch+Genootschap+gevestigd+te+Utrecht%22&printsec=frontcover&source=bl&ots=psyCYKkor5&sig=a6sZXJrxsmf3tg3Yg6mgIkOakeY&hl=nl&ei=svOWSuPrMIP5-AbahbymCQ&sa=X&oi=book_result&ct=resu