Oranje Nassau. Leven en Heldendaden van de Vorsten uit dat Stamhuis. Opgedragen aan Z.M. Koning Willem III

Titel Oranje Nassau. Leven en Heldendaden van de Vorsten uit dat Stamhuis. Opgedragen aan Z.M. Koning Willem III, Leiden: D. Noothoven van Goor, [1873]. 488 blz. ill. (t/m p. 141 over Willem I).  
Auteur Andriessen, P.J.
Jaar van uitgave 1873
Citaat "Vargas, een Spanjaard en de voorzitter van den Bloedraad, was door den hertog van Alva naar de Hoogeschool te Leuven gezonden om den jongen graaf op te lichten. Toen hij daar met zijn trawanten aankwam, was de eerwaardige rector hem met den bestuurder en de hoogleeraren der universiteit te gemoet getreden. Op ernstigen toon, op waardige wijs en toch in de meest bescheiden woorden, brachten zij hem onder 't oog, hoe zulk een handelwijs strijdig was met de privilegiën, door den koning zelf bezworen. "We storen ons niet aan uw privilegiën," had Vargas op ruwen toon geantwoord en het kind met geweld ontvoerd.Was het dan wonder, dat het vaderhart zich tegen dien maat­regel van geweld verzette, dat al wat in den Prins menschelijk gevoelde, in oproer kwam tegen zulk een daad van geweld? Wel had hij, toen hij de Nederlanden verliet, plechtig verklaard, dat hij niets tegen den koning zou ondernemen, zoolang deze hem niet in eere en goed aantastte. Maar thans — hij, de man, die zich, ondanks de liefde en de begeerte van 't volk, niet aan 't hoofd van dat volk had willen plaatsen, als verrader inge­daagd; — hij die 't oproerige volk in toom had gehouden en de rust had hersteld waar die verbroken was, een muiter ge­noemd ; — hij, die uit al zijn macht en met al de middelen, welke hem ten dienste stonden, 's konings landen had trachten te beschermen en te behouden, van al zijn rechtmatig verkregen aanzienlijke bezittingen in de Nederlanden beroofd en schier tot den bedelstaf gebracht, wat meer zegt, het dierbaarste goed hetwelk hij bezat, zijn oudste zoon, zijn lust, zijn leven, zijn erfgenaam hem ontstolen ; — was 't wonder, dat de Prins met verbeten woede uitriep : »Als Simson voor zijn beide oogen, zoo zal ik met Gods hulp mijn zoon wreken!"En nog wist de Prins niet alles. Nog wist hij niet, welk lot zijn lieveling beschoren was, nog kon hij niet vermoeden, dat men den knaap, dien Vargas naar Antwerpen gevoerd en daar onder de bewaring van den graaf van Ladron gesteld had, naar Spanje zou worden gevoerd, en daar als gevangene zou bewaard worden. Nog kon de vader niet denken, dat hij den zoon nooit zou wederzien, dat men hem acht-en-twintig jaren in Spanje zou houden, en dan eerst terugzenden, op hoop van tusschen hem en zijn broeder Maurits verdeeldheid te zaaien.De Prins van Oranje, het kleine Duitsche vorstje, de prins zonder land, afhangende van de gastvrijheid zijns broeders — tegenover den machtigen koning van het toen nog zoo machtige Spanje, die de schatten van Amerika, de legers van een groot deel van Europa tot zijn beschikking had! — de Prins van Oranje, weldra een afvallig zoon der kerk, en door zijn overgang tot de Calvinistische leer weinig sympathie vindende bij de Luthersche Duitsche vorsten — tegenover Philips den tweeden van Spanje, ge­steund door den Paus, en rekenende op Frankrijk — zegt mij, zou er niet om den mond van menigeen een medelijdende glimlach gespeeld hebben, wanneer hij van dien ongelijken strijd hoorde? En toch zou de pijl van den Nederlandschen Willem Tell het hart van den Spaanschen Geszler doorboren en zou Utrecht eens een nieuwe Rütli worden, waar 't verbond tegen dwingelandij en gewetensdwang zou worden gesloten.Willem van Oranje, de man aan de hoven opgevoed, was niet te vergeefs de vertrouwde van Karel den vijfden geweest, Willem van Oranje, opgebracht in de school des voorspoeds, was nu op een hoogere leerschool, op die des tegenspoeds — en daarin zou hij gevormd worden tot hetgeen hij werd. "Vlug, geheimhoudend, onvermoeid, werkte die machtige en standvastige geest in alle richtingen, en wist het zijden kluwen, dat zoo hopeloos verward scheen, uit elkander te winden, en grootsche ontwerpen van een stelselmatige en daarbij nieuwe staatkunde van lieverlede te ontwikkelen".Maar de groote hefboom van alles, geld, moest in beweging worden gebracht. De rijkste kooplieden van Antwerpen, Middel­burg, Vlissingen, Leiden, Haarlem en andere Nederlandsche steden verbonden zich met de uitgewekene handelaars in Engeland tot het opbrengen van 100,000 kronen, Oranje bracht door 't verkoopen en verpanden van zijn zilverwerk f 50,000, van den Berg, Culemburg en Hoogstraten ieder f 30,000; de moeder van den graaf van Hoorne en graaf Lodewijk elk f 10,000 bijeen; terwijl graaf Johan een leening deed op al zijn heerlijkheden en goederen.En zoo was alles voorbereid tot den kamp op leven en dood, die nu zou worden gestreden." (78-80)
Trefwoorden Algemene en Politieke Geschiedenis