Des Zwijgers godsdienstzin. Twee onuitgegeven brieven zijner hand

Titel "Des Zwijgers godsdienstzin. Twee onuitgegeven brieven zijner hand", in: Studiën op godsdienstig, wetenschappelijk en letterkundig gebied. Nieuwe Reeks. Jrg. XIII, 2e deel, 's Hertogenbosch: W. van Gulick Uitgever, 1881, pp. 65-89. Noten. 
Auteur Allard, H.J.
Jaar van uitgave 1881
Citaat "Allerheiligste Vader, na Uwe voeten gekust te hebben.Uiterst werd ik verblijd ten gevolge van 't geen de Hoogwaarde aartsbisschop van Sor­rente, nuncius Uwer Heiligheid en van den Apostolischen Stoel, mij, volgens de hem verleende geloofsbrieven, heeft uiteen gezet. Immers niets kon mij aangenamer en genoeglijker zijn dan te vernemen, dat Uwe Heiligheid welwillend en goedgunstig jegens mij en mijne onder­danen gestemd is; om die gunst en welwillend­heid te verdienen en te behouden, zou ik vol­gaarne alles willen ondergaan. En wat het bewaren en behouden aangaat der gebruiken van de oude Kerk en den voorvaderlijken godsdienst - Uwe Heiligheid heeft genoeg kunnen begrijpen, hoezeer ik mij in deze woelzieke dagen beijverd heb, om in 't prinsdom Oranje (in rekening gebracht de tijdsomstandigheden en beroerten) den ouden en katholieken gods­dienst te bewaren; en in dit opzicht zal ik nooit aan mijn plicht te kort schieten en niet dulden dat er van mijnentwege iets meer zou kunnen verlangd worden, gelijk ik dat breedvoeriger aan den Hoogeerw. Heer van Sorrente verklaard heb, en Uwe Heiligheid het vollediger zal ver­nemen uit het verslag van dengene, dien ik ge­beden heb mijn nederig dienstbetoon in alles, aan Uwe Heiligheid aan te bieden, gelijk ik die aanbiede bij dezen. Den algoeden en almachti­gen God smeek ik, dat Hij Uwe Heiligheid voor Zijne Kerk langen tijd ongedeerd beware en haar alle goed verleene. Ook bid ik Uwe Heiligheid dat zij voortga mij eene vaderlijke liefde toe te dragen.Brussel, 8 Juni 1566.Van Uwe Heiligheid de nederigste en ver­knochtste dienaar,WILLEM VAN NASSAU, Prins van Oranje. (Nederlandse vertaling).Twee maanden later (Aug.) werd er in de Nederlanden gebeeldstormd, en twee maanden na den beeldenstorm (Nov.) schreef de „overtuigde protestant" van Groen, „de ijveraar voor den ouden en katholieken godsdienst" volgens zijn eigen bekentenis, in een vertrouwelijken brief aan den Lutherschen Willem van Hessen: „nachdemmahl wir in der Augspür­gischen Confeszion gebornn und ufferzogen, auch dieselbig in unserm hertzen je und allwege getragen und bekendt haben". Dat is, in 't wonderjaar 1566, een zoo scherp mogelijke tegenhanger der fides Catholica, quam unice obser­vavi et colui semper uit het jaar 1561.Echter duurde het nog tot 1573 eer Willem van Oranje overging — tot de Confessie van Augsburg? Neen. Ten overstaan van den predikant Barthold Welhelmi, legde hij in den Briel belijdenis af ... der predestinatieleer van Calvijn. De stoutmoedige, vroeger door hem zoo verafschuwde Calvinisten had hij destijds noodig ter verwezenlijking zijner staatkundige plannen.Wat wilt ge meer?Mocht hij wel naar waarheid in zijne Apologie beweren : „Onse vyanden hebben met sulck een tegenpartye te doen, die recht wt spreeckt, sonder bedroch ende yet te willen binnen houden" ?Die 't gelooven kan, heeft een sterk geloof. Wat mij betreft, credat Judaeus Apella, non ego (Hor. Sat. Lib. I. 6.)" (87-89)
Opmerking(en) Zie: http://www.inghist.nl/Onderzoek/Projecten/WVO/brief/10104 enhttp://www.inghist.nl/Onderzoek/Projecten/WVO/brief/10214
Trefwoorden Godsdienst Kerkgeschiedenis Kritisch