Een plakkaat des Zwijgers ten gunste der Inquisitie ( 8 januari 1565 st. cur. 1566)

Titel "Een plakkaat des Zwijgers ten gunste der Inquisitie ( 8 januari 1565 st. cur. 1566)", in: Studiën op godsdienstig, wetenschappelijk en letterkundig gebied. Nieuwe Reeks. Negentiende Jaargang, XXVII, Utrecht: P.W. van de Weijer, 1887, pp. 42-64. Noten. 
Auteur Allard, H.J.
Jaar van uitgave 1887
Citaat "Men versta ons echter wel. 't Is niet volstrekt noodzaaklijk, zijn toevlucht hier te nemen tot godsdienstige huichelarij, om des Zwijgers gedragslijn te verklaren. Vol­doende is daartoe, eene staatkundige berekening te onderstellen, welke zich van godsdienstige belangen en godsdienstige toestanden bediende, om een politiek doelwit te bereiken. Het eene is het andere waard. Treden we, duidelijkheidshalve, in ettelijke bijzonderheden. Tegen het einde des jaars 1565 was de toestand in de Nederlanden allerhachlijkst.Den 20sten October van dat jaar waren eindelijk door den altijd weifelenden Philips de veel besproken brieven uit den hout van Segovia afgezonden, die eerst den 5den November te Brussel bij de landvoogdes Margareta van Parma aanlandden. Zij bevatten het antwoord des konings op ver­schillende vragen en voorstellen, onder andere op een verzoek ter wijziging en verzachting der plakkaten tegen de ketters. Met alle beslistheid gaf Philips te kennen, dat de katholieke godsdienst ongeschonden moest gehandhaafd worden; hij bleef onverzettelijk bij zijn stelsel van volharding en strenge uitvoering der bestaande plakkaten. Toen den 30sten November die koninklijke boodschap ter tafel was gebracht in den Staatsraad, verklaarde zich het driemanschap Oranje, Egmont en Horne, voor de onmiddellijke en onveranderde uitvoering van de bevelen des Konings, terwijl de van slaafschheid beschuldigde Viglius, die den gevaarlijken en opgewonden toestand der gemoederen doorschouwde, de afkondiging wilde vertragen en de uitvoering verzachten. „Mocht de koning het euvel duiden — zoo sprak de edele grijsaart — hij was bereid de verantwoordelijkheid geheel op zich te nemen." Maar de sluwe Zwijger, ofschoon hij eveneens de voorgeschreven maatregelen afkeurde en dat later openlijk bekende en zelfs luide verkondigde, pleitte desniettemin voor on­middellijke tenuitvoerlegging: de wil des Konings — zoo redeneerde hij — was te uitdrukkelijk en duldde geen ver­traging of verzachting. Onder den dekmantel van eerbied voor 't koninklijk gezag verborg hij zijne staatkundige plannen. De meerderheid des staatraads was, helaas, van zijn gevoelen en de landvoogdesse schaarde zich aan zijne zijde. Hiermede was de lont aan het kruit gelegd en dat wist Oranje. Vóór het uiteengaan der vergadering fluisterde de Zwijger „als ware hij verblijd en zegepralend" iemand onder 't voorbijgaan in de ooren : „nu zullen wij het begin van een fraai treurspel te zien krijgen". Wetende wat hij wist en ingewijd in alle geheimen van den samenzwerenden adel en der overige politieken in bond met de consistoriën, voorzag dus de Zwijger het bloedig treurspel, dat men den 80-jarigen oorlog heeft genoemd. De zedelijke waardeering der handelwijze van den vader des vaderlands moet ik verder aan 't oordeel mijner lezers over­laten. Alleen vraag ik of zijn gewaande afkeer van geloofsdwang, waarop hij zoo kon pochen, hem niet juist aan de zijde van Viglius had moeten scharen, indien staatkundige en zelfzuchtige berekeningen hem niet in een tegenover gestelde richting hadden gedreven?” (43-45)Citaat uit plakkaat: "Will voorts zijne Co. Mat. dat men den Inquisiteurs vanden geloeve in t bedienen ende exercitie van haeren officien alle gunste, bistandt ende assistencie doen ende bethoonen zal, ende dat d'inquisitie bijden zelven Inquisiteurs gedaen worde, gelyck tot noch toe gedaen es geweest, ende zoe naer gheestelicken ende waerlicke rechten hem toebehoort, hebbende zijne Mat. in zijne brieven tzelve expresselicken bevolen. Midtz welcke, ende omme zijne Mat. in zoe heylighe ende gunstige zaecken gehoirsaem te wesen, en hebben wy niet connen onderlaten U dese jegenwoordige te scriven, ende by den zelven te versoucken ende van zijne Co: Mats. (weegen) te bevelen zeer ernstelick, dat ghy in desen u wilt vougen ende reguleeren naer tbevel ende ordonnancie der zelver Mat: zonder in eenich poinct daer jegens te coemen ofte laten geschien, opte peynen inde voors. placcaten ende ordonnancien begrepen.” (47/8)
Trefwoorden Godsdienst Inquisitie Kerkgeschiedenis Kritisch Anti-Oranje