Correspondentie van den Prins van Oranje

Titel "Correspondentie van den Prins van Oranje ", in: Historisch Tijdschrift, 13e jaargang, Tilburg: Drukkerij Henri Bergmans & Cie, 1934, pp. 336-353. Noten. Boekbespreking van Correspondentie van Willem den Eersten. Prins van Oranje. Uitgegeven door Dr N. Japikse. Eerste deel, s' Gravenhage, 1934.Foto's artikel: http://www.periodata.nl/dataweb/AlfenCorrespondentieJapikse.pdf "Van de drie uitgaven, die wij aan het initiatief van het Uitvoerend Comité voor de viering van het vierde eeuwfeest der geboorte van Prins Willem van Oranje te danken hebben, is volgens opzet die van het gedenkboek het veelzijdigst, die der biografie het diepst, die der correspon­dentie het breedst van onderzoek opgevat.Alleen eerstgenoemde uitgave kwam onder de onmiddellijke leiding van het Comité tot stand : een zeshoofdige commissie van redactie werd uit zijn midden met de samenstelling ervan belast, die dit met zoveel voor­liefde deed, dat de helft harer leden zich het genot niet heeft willen ont­zeggen van met een eigen bijdrage aan deze wetenschappelijke bundel degelijkheid en luister bij te zetten. Deze uitgave is waarlijk het troetel­kind der bijzondere zorgen van dit Oranjecomité geweest en het was vooral zijn secretaris, zelf ook medewerker aan het gedenkboek, Mr. G. L. de Vries Feyens, die maandenlang doende is geweest om hiervan iets beters te maken dan waaraan zulk een gelegenheidsuitgave als regel heeft te voldoen, iets waarvan de waarde namelijk meer in zich dan in de omstandig­heid van zijn verschijnen is gelegen. Ontegenzeggelijk mag dit van deze uitgave worden getuigd, die daarbij kostelijk en smaakvol is uitgevoerd, zodat de Haarlemse uitgevers-firma Tjeenk Willink als technisch mede­werker verdient geroemd te worden.De tweede uitgave is de Willem van Oranje, een boek ter gedachtenis van idealen en teleurstellingen, van de hand van prof. v. Schelven, een officiele uitgave met een zeer persoonlijke tint en van opvallende bezonkenheid. Het zou mij niet verwonderen, als dit boek, bedoeld voor „dien breeden kring van in ons volksverleden belang stellenden", geacht moet worden in het algemeen daarvoor te moeilijk te zijn en dientenge­volge niet zulk een wijde lezerskring te hebben bereikt als het om zijn voortreffelijkheid verdiende, mede in verband met het gelijktijdig uitkomen van minder diepgaande biografieën, waarmede een oppervlakkiger belang­stelling zich voldoende bevredigd vond. Het kan echter niet missen, of deze studie van 's Prinsen leven zal nog lang van waarde blijven, wanneer er voor andere geen reden van bestaan meer is.Als derde ligt daar thans de uitgave der correspondentie." (336) "Wat de volledigheid der uitgave aangaat, hieromtrent heeft Dr. Japikse uitdrukkelijk in zijn inleiding een grote reserve gemaakt en voor zijn keuze uit het uitvoerig hem ten dienste staand materiaal enige, weliswaar vage, leidraad gegeven, die uiteraard niet strak kan worden doorgetrokken, zodat critiek hier niet terzake zou zijn. Wat ik uit deze vroege jaren zelf nog bezit en stellig meen, dat publicatie verdiende, hoop ik nog eens als aanvulling dezer correspondentie te kunnen meedelen. Ik deel toch vol­komen de mening van Dr. Japikse, dat zijn poging tot completering der uitgaven van Groen en Gachard nog niet voorgoed mag heten. Zo mis ik in deze uitgave ook nog de drie onachterhaalbare brieven van Juni 1551 aangaande het huwelijk van den Prins met Anna van Egmont, die de aartsverzamelaar Cuypers van Velthoven eens in de Brusselse Audience heeft aangetroffen, maar terwijl hij honderden stukken volledig er heeft afgeschreven, deze slechts annoteerde als merkwaardig. Japikse heeft in zijn Inleiding de lijst der nu bekende en gepubliceerde brieven van den Prins aan zijn eerste vrouw opgemaakt. Onuitgegeven bleef tot dusver echter het huwelijkscontract, dat te Lille aanwezig is. Het valt mij, aan het eind dezer zo uitvoerige beschouwing gekomen van het boek, dat me zulk een kostbaar bezit is, geenszins licht mijn oor­deel hierover samen te vatten. Ondanks al de aanmerkingen, die ik heb gemaakt, blijf ik toch dankbaar, dat dit werk verschenen is, daar het mij veel heeft geleerd. Kwalijk zou ik echter kunnen ontveinzen, dat deze dankbaarheid niet onbeperkt is en dat zoo ooit, hier gezegd mag worden : dankbaar, maar niet voldaan. H. VAN ALPHEN." (353)
Jaar van uitgave 1934
Trefwoorden correspondentie Algemene en Politieke Geschiedenis