Over de finantiën van Willem van Oranje

Titel "Over de finantiën van Willem van Oranje", in: De Katholiek. Godsdienstig, Geschied- en Letterkundig Maandschrift. Deel 83. Nieuwe Reeks. - Deel 17, Leiden: J.W. van Leeuwen, 1883, pp. 198-199.  
Jaar van uitgave 1883
Citaat "De Amsterdammer van Februari ll. bevat een stukje, getiteld : „Het Wilhelmus als volkslied", en onderteekend uit H. door v. Vl. (Haarlem, Johannes van Vloten? GWD) In dit stukje lezen wij o. a. het volgende:„Het ging daarmeê [met het Wilhelmuslied], als met dien „schooijersnaam van Geuzen zelf; eerst als schandnaam gebezigd werd hij de schoonste eerenaam denkbaar. En de Geuzenprins of Prins-schooijer, die als met "d'elleboog door de mouwen, het haar al door den hoed" liep, omdat hij zich ten dienste der goede zaak van staats- en gewetensvrijheid verarmd had, bleef den rijk vermeenden spaanschen koning de baas."Het oordeel over den Prins van Oranje zal wel altijd zeer uiteenloopend zijn, naarmate het standpunt verschilt, waarop men zijn handelingen en persoonlijke hoedanigheden beschouwt, en naarmate de beginselen verschillen, die men bij het vormen van zijn oordeel toepast. Daarom kan het hier onze bedoeling niet zijn om ons oordeel over den Prins uit te spreken. Maar toch meenen wij, dat de woorden van den heer v. Vl. te zeer met de objectieve en blijkbare waarheid in strijd zijn, om ze niet met een enkel woord te weerspreken.Het verwondert ons nl., dat de Schrijver zoozeer de aandacht vestigt op 's Prinsen armoede, en die als gevolg van zijn offer­vaardigheid voorstelt. Immers, er zijn toch ook wel andere oorzaken voor die verarming op te geven. Als men verneemt dat zijn hofhouding als die van een groot vorst is, dat hij ter bezuiniging op een dag 28 koks wegzendt, en dat zijn keuken een school is voor de koks van schier alle Duitsche vorsten, dan moet men erkennen, dat 's Prinsen gelden niet uitsluitend bestemd werden „ten dienste der goede zaak van „staats- en gewetensvrijheid".Maar om het geldelijk offer van den Prins beter te begrijpen, vernemen wij van hem zelven, hoe het met zijne finantiën gesteld was, vóor dat hij „lyf, goed en bloed opgeset had om 't lieve vaderland te handhouwen in syn vrijdomme, en weer te brengen in syn fleur en welvaert."In 1564 nl. schrijft hij het volgende aan zijn broeder, Graaf Lodewijk van Nassau :,,........ tous nous affaires sont bien près au mesme estat où ilx estiont quant vous partiés, et ne sorois dire si sont melieurs ou pires. Je suis toujours empêché pour faire mon estat, et peus bien dire, sicut erat in principio, et nunc, et semper, et in saecula saeculorum, et me samble que nous venons de race de ester un peu movés [mauvais] ménaigiers en nostre jeun temps; mais, quant nous serons vieu, serom­mes mellieur, comme feu Monsieur nostre père ...."Al verklaart de Prins in zijn Justificatie, dat hij meer schatten en rijkdommen had kunnen verzamelen, door zich rustig te houden, wij meenen dat men van hem, om met van Reidt te spreken, zeggen kan: ,,Alle de groote Heeren staecken in „schulden en armoedt, en waren derhalven tot veranderinghe niet ongheneycht." (hele tekst.)
Trefwoorden Economische en Sociale Geschiedenis
Periodedata afbeelding http://www.periodata.nl/dataweb/finantien.jpg